Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bladeren der drie variëteiten gras-kroonboomen met die der open-grond-kroonboomen doet ons zien, dat het verlies van de drie variëteiten daalt van de jaren 1896 tot en met 1899 en wel zeer sterk bij twee variëteiten. En wat blijkt nu ? dat dit herstel in kracht en gezondheid te danken is aan het feit, dat de wortels dier boomen ontsnapt zijn aan den schadelijken invloed van het nras en zich thans daarbuiten in den vrijen grond hebben uitgebreid.

Zeker een merkwaardig en niet te vergeten feit.

V\ gaven boven aan, dat de oogst van de gras-kroonboomen was 87 °/n en van de onkruid-kroonboomen was 55% beneden de open-grond-boomen. Vergelijken wij deze getallen met de uitkomsten van de verkregen oogsten over 4 jaren van boomen die geheel verwaarloosd zijn, dan vinden wij voor deze laatsten, dat zij 82 •/„ ten achter zijn ! Ook leerrijke cijfer* !

Niet minder leerrijk dan het resultaat van de grootte van het fruit vau dergelijke verwaarloosde, niet bemeste boomen. Dit fruit blijft in grootte niet minder dan 56 */« achter.

Hieruit volgt dus: dat niet bemesten en verwaarloozen der boomen, nagenoeg even slechten invloed lieel't als wanneer men hen in eene grnsvlakle laat groeien !

Ook niet te vereeten!

_ -lot opluistering van het nadeel, dat grasvlakten om de boomen berokkenen zijn aan het verslag, behalve een drietal zeer leerzame, ongekleurde photo's van gras-kroonboomen en gras-struikvormen, een paar gekleurde platen toe»evoegd, die den meestverstokten en halstarrigeu twijfelaar wel tot inkeer zullen brengen, /ij doen ons aanschouwen de afbeeldingen van drie appels van Pott's zaailing, één verkregen van eenen normalen boom (struikvorm) in den open grond, twee verkregen van een struikvorm door gras omgeven.

Het onderscheid is zeer merkwaardig.

De normale appel is ongeveer 7 op 7'/« cM. en grasgroen vau kleur. De twee exemplaren van de gras-struikvormen zijn achtereenvolgens 5 op 5*/* en 3 75 op 4 cM. groot, de eerste geel-bleekgroen en de andere is rood gekleurd met een groen gedeelte rondom het oog.

Wij zijn met de onderzoekers eens : dat het verkleuren dezer abnormale appels moet geacht worden hetzelfde verschijnsel te zijn, dat wij overal bij de gras- en onkruid-kroonboomen of struikvormen zien optreden: nl. de mpoedige ontkleuring van liet bladgroen en den daarmee gepaard Kaanden snocdigen liladval. Waar wij eenen gezonden boom zien naast eenen anderen en de laatste vroeg in den nazomer zijne bladeren doet ontkleuren en deze weldra afvallen, zal een ieder dit moeten toeschrijven avn de eene of andere buitengewone omstandigheid, in elk geval tot de gevolgtrekking komen, dat die boom voor dat jaar is afgeleefd, dat zijn tijdperk van voeding en groei is afgeloopen. En waar deze verschijnselen zich voordoen bij gansche rijen van boomen,'c zij bij kroonboomen of bij struikvormen, daar ligt het voor de hand, dat als die rijen of perceelen op dezeltde wijze behandeld zijn, de oorzaak vau die verschijnselen, van dien achteruitgang, van die afgeleefdheid, van die verzwakking, wel bij allen dezelfde zal zijn. Welke die oorzaak kan ziju, althans welke omstandigheden in de eerste plaats in aanmerking kunnen komen om als vermoedelijke oorzaken te kunnen worden aangewezen, bespraken wij reeds boven: n.1. Ie gebrek aan voedsel, 2e gebrek aan water en 3e gebrek aan lucht. De schrijvers deelen op het eind van hun tweede verslag hun voornemen meê, elke dier vermoedelijke oorzaken door proefnemingen in hare werking te onderzoeken.

Sluiten