Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het pas verschenen derde verslag beschrijft de proeven welke genomen zijn in deze richtingen, nl. om te weten te komen door vergelijking, welke der bovengenoemde invloeden het grootste aandeel heeft in den achteruitgang en het verval der vruchtboomen.

. ^ ^en proefnemers niet mogen gelukken de oorzaak te vinden: althans 't mag niet ontkend worden, dat de proeven niet beslissend zijn.

De verschijnselen van achteruitgang der boomen en van hunne verzwakking treden echter meer en meer op den voorgrond en het is niet meer te betwijfelen, dat de boomen die omgeven zijn door grasland of door onkruid een armoedig leven hebben en zeer ongezond zijn.

Het verslag maakt er in de eerste plaats melding van, dat wortels der grasappelstruikvormen langzamerhand zich waren gaan uitstrekken verder dan de grasbeplanting en dat dientengevolge een eigenaardige vooruitgang kwam in het gewicht der bladen; n.l. was het gemiddelde verlies van 18% —1901 gedaald van 35 V tot 6 0,0, maar werd weer grooter in het jaar 1902 n.l. 19 «/o. Onderzoek bracht aan het licht, dat hoogstwaarschijnlijk de oorzaak was gelegen in het feit dat in 1901 de wortels zich uitstrekten tot aan den open vrijen grond van een aangrenzend perceel, welke grond, voor andere proefnemingen, later was toegedekt door glaszoden, die waren vastgeworteld. Zeker eene merkwaardige uitkomst.

minder merkwaardig is, dat hetzelfde verschijnsel zich voordoet bij de kroonboomen. Ook hier is eene opvallende verbetering in kleur en grootte der bladen aan te wijzen in de achtereenvolgende jaren. Was deze reeds in 1-99 merkbaar, toen het waarschijnlijk werd, dat de wortels zich hadden uitgebreid onder de grasvlakte door tot aan den open grond, by onderzoek bleek, dat de wortels van die boomen, welke zich merkbaar hersteld hadden, werkelijk zich veel verder dan de grasvakte hadden uitgestrekt en in den vrijen grond waren.

I)e wortels van «le Immhiicii (welkt* nog onder «Ie grasvlakte waren) bleken ongezond van kleur te zijn, n.l. zwart, zij waren «lun en week ®" ' bleek <lat zij weinig scliot hadden gemaakt. De wortels der andere booinen, welke aan de grasvlakte ontsnapt waren, bleken in gezonden toestand te zijn.

^ t'i'geleken met de normale boomen waren de herstelde hoornen een weinig meer gegroeid, maar hleken toch nog in dikte ver achter te zijn. Zij hadden weinig meer dan de halve dikte.

Aangezien gebleken was, dat de onkruidvlakte om de boomen tot nog toe weinig minder nadeel deed dan de grasvlakte om de boomen, had men in de laatste jaren alleen maatregelen genomen ten einde den invloed na te gaan van grootere of kleinere grasvlakten rondom de boomen.

Niet minder dan dO kroonboomen, voor de eene helft Cox's Oranje Pippeling en voor de andere helft uit het Wonder van Newton bestaande, waren in Dec. 1898 geplant met en zonder eene graszodenvlakte om den stam. Voor elke proef werden drie boomen aangewezen. Deze graszoden bekleedden eene grootere of kleinere vlakte om den stam, met dien verstande, dat er eene kleinere of grootere open ruimte om den stam werd gehouden bij de verschillende proeven met drie boomen, en wel zoodanig dat die open ruimte vermeerderde van niemendal tot ± 5 M.

En wat was het gevolg, dat de boomen die gras hadden rondom den stam en wel in de onmiddellijke nabijheid reeds iin één jaar dood waren of zoo goed «Is dood en dat alle hoornen, die meer dan een 60 cM. vrijen grond

Sluiten