Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stig langs eenzame, verlaten paden, als is hij bang. «lat iemand hem zal zien. dat de een of'andere hongerlijder hem zijn schat zal onstelen.

Weer is hij in de nabijheid van zijn krot; nog enkele onrustige blikken 0111 zich heen en hij treedt binnen.

„ Vrouw, vrouw, ich höb mei. dè zuuginsn' ganse zak vol," galmt hij in blijde vervoering: „de zuls könne éte. zoiveul es te lus en de jong zal weer milk van dich höbbe."

„Danke Nol, «lank," en vriendelijk knikkend reikt ze hem de hand toe.

Dan langzaam steunend op de vuisten heft zij <>p het bovenlichaam.

„Wat geis te doon, NelkeT'

„Opstoon,Nol,ich moot et dèg toch veerdig ') make.

„Nè. nè, dat zal ich ouch waal doon, blief doe nier ligke. bös te weer gans gesond en sterk bos.

„Nè jong. dat kins doe neet zoi good es ich; ich veul mich noeal veul beter, noe ich 't éte mer zeen, en t wicht zachtjes neerleggend op 't stroo. wankelt zij naaide tafel, waar zij zich laat vallen op den stoel.

„Zoi. gèf mich noe mèr 't mM hië.

Voorzichtig neemt zij een handvol van het stof tig poeder uit den zak. dien hij haar heeft overgereikt; op het tafelblad hoopt zij het meel op. klein, smal met ondiepe ronding in het midden.

„Noe et vuur goedopstoke, Nol, veur werm water.

„Jao,Nelke,subiet" en hij ijlt naar buiten, naar de rotsholte, waarin hij het in de bossclien gesprokkeld hout heeft geborgen.

') Klaar.

Sluiten