Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

es te wils en geljd, zoiveul veer könne kriele — wils te alzoi mit oos mitdoon T'

„ Jao, jao, ich wil alles, es geer oos mèr te ête gieft."

„(lood, kom dan nier mit."

Een kort geheimzinnig kloppen op den muur en de achterpaneelen van de nog immer ontsloten kast openen zich.

Op eens aan zijn voeten, diep onder hem een groot langwerpig gewelf, vol oogverblindend licht.

Minstens een honderdtal mannen, allen gemaskerd, met hun pafrooken uit lange pijpen zich schier omhullend in dikke tabakswolken; op de lange tafels talrijke kannen bier, stapels bruin-zwarte brooden en witte krenten weggen.

Op de kale witte muren allerlei symbolieke teekenen. scherpe puntige dolken, rood omlijnd, zich kruisende beenderen en doodshoofden, die hem akelig toegrijnzen door de blauwe tabakswalmen heen.

Met groote. ronde glansoogen staart Poyck dit alles aan; een angstschrikken, dat hem onwillekeurig doet. achteruitwerpen liet bovenlichaam.

„Nein. nein. ich wil neet," stamelt hij, maar de beide anderen duwen hem voort langs een enge, steile trap.

Eindelijk bevindt hij zich in 't lokaal; half bewusteloos. steeds voortgestooten, schuifelt hij tot bij de middentafel, waarom een vijftal mannen.

Een cynisch spottend lachen om hem heen, een geprevel, een gegons van stemmen, dat suizend tot hem doordringt.

Daar verheft zich vlak voor hem een tiguur, groot, mager.

Sluiten