Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker jong, zoiveul es te kins drage, niè laot dich door neemes zeen."

„Dat versprèk ich uch," en zijn heide handen grijpen een paai krenten weggen, die hij verbergt onder den flankert op 't bloote lichaam.

Nu wil hij weg, weer terug, naar huis, met het nieuwe voedsel.

Als hij zich omkeert is schier niemand meer in het vertrek; allen zijn als door een tooverslag verdwenen; alleen de muldersknecht is er nog; deze roept hem met hoofdknikkend gebaar.

, Kom nier weer mit mich mit, menneke," voegt deze hem toe, „ich höb dich hie in gebrach, ich zal dich d'roet bringe ouch."

Hij wijst hein een groot vierkant valluik, dat donkerzwart gaapt aan zijne voeten.

„Moot ich dao in en straks.... bin ich van bove gekommeT vraagt hij verwonderd.

,Da*s veur de variatie," spot de andere.

Gedwee volgt hij zijn geleider.

Deze steekt een lantaarn aan, die eng stralend een lange, nauwe gang verlicht; schier met geweld moet hij vooruit wringen het groot, breed lichaam, dat schuurt langs de ruw uitgehouwen muren van mergelsteen; hij moet 't bovenlichaam bukken om 't hoofd niet te stooten tegen de lage zoldering.

Eensklaps een luchtstroom, die nog Hauw hun tegenwaait, spoedig krachtiger, met meer vinnige koude.

Zijn geleider dooft plotseling de lantaarn uit; eerst alles nog donker om hem heen, da hoog boven eeu

Sluiten