Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't wordt weer helder in zijn tot nu toe door drank beneveld brein; hij ziet weer alles, die schimkerels bij den Leienhof, die hein gebracht hebben in „de gouden banier/' dan die geheimzinnige kast, waardoor hij is gegaan naar die dompige volle-licht spelonk onder den grond met al die gemaskerde mannen; hij hoort weer die stem van meester Kerkhotfs en ook zijn eigen stem, toen bij gezworen heeft Bokkenrijder te zijn, toen hij heett geloochend, al wat vroeger hem verheven, heilig was.

„En is 't veur lang, Nol!" vraagt Nelke weer.

„Waat meinste V'

„T wirk hie den mulder."

„Ich weit neet.... er heet niks gezag... ich moos nier ins aof-en-toe hie hum trukkonnne.

Dat houdt hij niet meer uit; 't is hem of een onzichtbare vuist zijn keel dichtklauwt, die hem het ademen belet, of plots een heete vuurgolt' opstijgt naar zijn hoofd, die 't daar binnen alles verzengt.

„Alzoo, er is dan toch lioup en veer höbbe veur 't ougenblik weer broid; dao zal ooze jong weer vanprotiteere, ne waor menneke! dèNolpuun ') ein ins, en zij houdt het klein gezichtje voor zijn mond.

Even niet vooruitgestoken lippen kust hij 't wicht.

Lang blijft hij dien morgen niet in zijn hut.

Liegend, dat hij naar 't bosch zal gaan om daar hout te zoeken, sluipt hij weg.

Hij ontmoet enkele dorpelingen; hij spreekt ze niet aan, zooals gewoonlijk: hij durft ze nauwelijks groeten; 't is hem of ze reeds allen zijn misdaad kennen ot ze niet hunne blikken hem zijn laag vallen verwijten.

') zoen.

Sluiten