Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij allen nieuwsgierige, hebzuchtige blikken als de eerste de zware kist opent.

Poyck is op zijn teeuen gaan staan om goed te kunnen zien dien onmetelijkeu schat, waarin ook hij zal deelen.

Zilver, goud hoog opgestapeld in slordige dooreenmengeling; hoe is het mogelijk, zooveel geld hijeen en meester Kerkhoffs grijpt er in niet volle handen, koud en onverschillig: hij telt de zilver- en goudstukken, die hij naast zich neerlegt in kleine stapels; zijn broeder Balthus telt ze na. eveneens koel, zondereenigen hartstocht.

De antieren om hem heen drinken brandewijn in groote teugen; ze lachen en schertsen vroolijk, luidruchtig, ver weg blazend uit hunne monden de rookwolken van tabak, terwijl de beide broeders steeds voorttellen met koud, strak gelaat.

't Duurt een geheelen tijd; hooger, talrijker worden de stapels goud en zilver.

Eindelijk weer een kloppen van meester Kerkhotts, onmiddellijk gevolgd door een doodsche sti.te en toen verkondigt hij met luide stemme, dat ze acht duizend vijf honderd zes en zeventig daalders hadden geteld, dat de Bokkenrijdersbende op dit oogenblik tweehonhonderd tien leden telde '). dat derhalve ieders deel ruim veertig daalders bedroeg.

Een goedkeurend mompelen van alle zijden.

„Krieg ich die ouch?" vraagt Poyck zijn buurman.

„-Jao doe ouch, dat höb ich dich al gezag.

Veertig daalders, veertig daalders — maar dan is

■ ) dit aantal is later gestegen tot ruim vierhonderd.

Sluiten