Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor hem neerliggend, de wollen kousjes, 't kindergoed, de flankerten en culotten, de schoenen en dekens.

Hij betast alles; hij wrijft er over met zijn handpalmen ; hij trekt er aan met trillende vingeren.

't Duurt lang eer hij zijn keuze kan bepalen, eer dat hij zeker weet wat het best. het mooist zal zijn voor zijn vrouwtje.

Een dikke wollen doek niet roode klaprozen en blauwe korenbloemen in groene vierkante ruiten, trekken vooral zijn aandacht; "t zal haar goed staan, die vele schitterende kleuren; zoo één had er geen enkele boerin in geheel Ubach; wat zullen de andere vrouwen zijn Nelke bewonderen, als ze zoo met hem door t dorp wandelt, maar dan moet hij ook deftig zijn, en z'n oog valt weer op een langen grijzen Hankert met koperen knoopen, opeen broek van glimmend Manchester trijp, op blauwe wollen hozen, reikend tot aan de knie, dan schoenen niet stalen gespen, die moeten ze beiden hebben; — nu voor 't kind, en hij neemt uit den hoop dik warme lijfjes, breede lappen van rood baai en wollen kousjes; ten laatste nog de deken; die moet ook goed warm zijn en lang en breed; zij moeten er beiden onder kunnen liggen.

„ Wie veul kos dat allemaol T vraagt hij met angstig, benepen stem, wijzend op alle door hem uitgezochte goederen.

„Verduld jong, doe liöbs verstan jd er van; t is neet et slechste waas te höbs genomme; ich maak dich mien compliment."

„Wie veul kos etf'

„Vief en twintig daalders, wie ich dich gezag liöb."

Sluiten