Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn vrouw zit voor den flauw walmenden haard,

bleek, ontdaan.

„Goddank! Nol, da's te dao bös" sclireewt ze uit met een uil. terwijl zij de armen om zijn hals slaat: ,.dat maagste van z'n leve neet mië doon. mich zoi in de ongerusheid te laote; ich höb gei oug könne sleete, al dien tied da's te vort bös gewès; 't is e schandaol, en ze kust hem weer met dikke, pakkende zoenen. „Woi bös te gewès doe Schwerenother >"

En hij vertelt haar de leugens, <lie hij heeft bedacht gedurende zijn langen tocht naar hier. dat de mulder zeer tevreden over hem was, dat deze nog nooit zoo'n sterken, ijverigen knecht had gehad, zooals bij zelt zeide en dat hij nu maar vast eens per week moest komen om te hooren of er ook werk was en dat zou bij in 't vervolg ook doen, zij moest dus maar rustig gaan slapen als 't weer gebeurde, dat hij s nachts niet terug kwam — en toen had hij de astrantigheid gehad om wat geld als voorschot te vragen om kleeren te koopen, die zij zoo hoog noodig hadden en ook voor wat spek en de mulder had het hem direk gegeven, omdat hij toch zoo content over hem was en hem ten volle vertrouwde en de kleeren en spek had hij terstond gaan koopen : liij had alles medegebracht; 't lag alles in de deken en hij spreidt uit z'n schatten op den kalen, hob-

beligen vloer.

Ze klapt in de handen bij 't aanschouwen van die felkleurige kleedingstukken; ze tuurt niet gietigen wellust naar die breede, vettige repen en dan zachtkens, haar hoofd leunend tegen zijn schouder: „zuus te noe waal, Nol, dat de pastoir geliek hauw, doe er

Sluiten