Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zag in z'n sermoen, dat oos Leeve Hiër. Dè de mussche te ête gieft ouch z'n kinjer neet vergit, want dat alles liöl>be veer van God gekrege.

Een hevige gewetensangst in zijn ziel; 't is of een geheimzinnige macht hem de horst neerdrukt, of een onzichtbare vuist hem dichtsnoert de keel, of een vuurvlam brandt in zijn hart.

„Van God . . . gekrege . . . van God . . . gekrege" herhaalt hij schier onbewust „... van God... van denzelfden God, Dien hij heeft afgezworen om zich over te geven aan den duivel — neen niet van God, van den Satan, aan wien hij zijn ziel heeft verkocht, die heett hem dat alles gegeven, in ruil voor zijn eeuwige verdoemenis.

„Nondediu, nondediu" en een schier onweerstaanbare macht dringt hem om stuk te rijten al de kleeren, om onder zijn voetzolen te vertrappen dat spek, alles de prijs van zijn eeuwig verderf.

„En noe zal oos keend weer gauw gezond en sterk were!" lacht op eens zijn Nelke hem toe.

Een onwillekeurige blik naar het stroo, waarop het rustig ligt te slapen; een drang in hem om het te kussen. maar hij wil niet, hij wil het reine schuldeloos schepseltje niet bezoedelen door zijn aanraking.

Een duizeling doet hem wankelen enkele schreden achteruit.

„VVaat höbs te, Nol, waat höbs te, jong," en zijne vrouw slaat haar armen om zijn hals.

„Niks Nelke. niks, ich bin zoi maroide '), laot niicli mer goon ligke op t bed.

l) doodmoede.

Sluiten