Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij niet voor den donder; later, later als de tijden eens wat beter waren, dan zouden ze er mee kunnen pronken, maar nu niet. nu niet.

't Is de eerste maal, dat hij onvriendelijk, norscli tegenover haar is geweest, en dat thans in hun weelde en overvloed, op t oogenldik, dat ze vroeger in lvun dood-arm-zijn zich hebben voorgesteld als „hetgeluk op aarde.

In dezelfde schamele plunje loopt hij voort over de eenzame paden, gejaagd, woest zenuwachtig, ontw ijkend eiken dorpeling, elk wezen, dat hij ontwaart; bang. dat ze hem zijn vervloekt-zijn kunnen aanzien, dat zij kunnen lezen zijn misdaad op t gelaat.

Eens, ver weg van zijne woning in een klein dennenbosch, een fluisterstem in zijn onmiddellijke nabijheid.

Angstig slaat hij de oogen op ; Mofels, die ellendige schijnheilige, staat voor hem.

„Ich höb zoi-mitein d n Teut gesproke/' lispelt deze hem toe; „d'r is van aovend Viataff.

„Ich kin neet komme," antwoordt Poyck, „ich bin krank."

„Doe krank! Bös te gek. .jong, ene kranke kin tl 11

ganse daag neet zoi loupe.

„Mè ... es ich 110e neet mië wil. es ich neet langer

wil Hokkenriejer zien!"

„Dat zou neet schoin van dich zeen, noe da's te de duite liöbs, die anderen veur dich verdoend liöbbe en dink aon waat Kerkhotfs dich heet gezag.

„Vermaledijdekerel, ellendige Judas, ener komt in

Sluiten