Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En bij elk kleedingstuk, dat hij aantrekt klapt ze vroolijk in haar handen, luid schaterlachend: ,,waat ssteit et dich good, Nol; 't is magnifiek, «Ie bös noe pront eine rieke Sin jeur," en kussend drukt ze liem vast tegen haar horst, uitgalmend haar pret van blijde trots.

't Kost hem moeite zich los te maken uit die omarming, en weg te vluchten van haar, z'n lieve, brave vrouw, naar die ellendelingen, «lie hem hebben verleid.

't ls een koude Decembermaand; de sneeuwvlokken vallen neer in lange onregelmatige lijnen uit den (lonkergrijzen hemel; een dunne ijskorst bedekt de plassen en slooten; een ijzige wind sliert over de aarde en toch branden die kleeren om zijn lendenen en weer in zijn handpalmen dat kriebelgevoel, dat hem schier dwingt om den flankert, die culotte en hozen in stukken te rijten.

Als hij eindelijk weer verschijnt in die hel verlichte spelonk, kijken al die kerels hem aan met verwonderde oogen, ,,'n gans andere mins waor er gewore, krek 11 baron" beweren enkelen.

Mofels vraagt hem spottend „of er d'r nog spiet van hauw, dat er Bokkenriejer waor gewore." en ook de TCochemer Juuls komt bij hem 0111 zich te vergewissen of hij dien bewusten nacht goed tehuis is gekomen, of het spek hem goed heeft gesmaakt en hoe zijne vrouw de mooie plaggen en den tirteien rok heeft gevonden.

't Is hem onmogelijk geweest een antwoord te geven op al die vragen; 't geluid in stomme woede is blijven steken in de keel.

Sluiten