Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is nauwelijks een kwartieruur verloopen als reeds een tiental met pieken en pistolen gewapende mannen zich te zaam bevinden op den weg naar den molen.

Een zwarte duisternis om hen heen, als zij 't inwendige van 't gebouw betreden; alles stil. doodsch, geen geritsel zelfs, geen enkel tecken van leven.

Een der nachtwakers steekt de lantaarn aan. <lie aan zijn gordel hangt; eene huivering over allen bij de eerste lichtstraal door de holle ruimte.

Er wordt vervolgens gezocht in alle hoeken, achter de zakken, onder de trap; nergens een spoor vaneenig menschelijk wezen.

Op eens een hevig gestommel op de trap, een luid jammerend schreeuwen van den molenaar, die, inmiddels ontwaakt, ook den diefstal heeft ontdekt.

't Kost den schout niet weinig moeite om den razenden en tierenden man tot bedaren te brengen; 't duurt een geheele poos, voordat deze kan vertellen, dat ze hem een zak vol geld, drie duizend kronen, hebben ontstolen, die dieven, die schelmen, drie duizend kronen; hij was geruïneerd, totaal geruïneerd als hij dat geld niet terug kreeg; opgehangen moesten ze worden, geradbraakt, die loeders, dat gespuis.

Dan, op eens de vuisten hallend tegen de slapen, met akelig krijschschreeuw: „en mèl höbbe ze ouch gestole, dat galgenaas, van 't tienste mèl oet de ganse meule; drië groote zak."

„ Wat zegje, Lienaers," vraagt de drossaard, „ hebben ze ook drie zakken meel gestolen1?"

„Jao hiër. jao, van 't tienste. fransche mèl, dattuug oet de hel."

Sluiten