Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verblind door dat turen over dat oneindig sneeuwveld;

een langzaam klimmende gloedtinteling, die zacht doet trillen het lijf. en zwaarder wordt de lucht, die haar drukt op het hoofd, op de schouders, op de borst; de oogleden dreigen dicht te vallen; een dof slaapgevoel maakt zich van haar meester, maar ze wil niet slapen, ze wil wakker blijven, tot ze geweest is bij zijn lijk, tot ze heeft uitgegalmd tegenover allen, die daar zullen staan om hem te bespotten, dat hij niet slecht, niet verdorven is en ze heft op het met knikken neervallend hoofd.

Te vergeefs echter; ze kan geen weerstand meer bieden aan het slaapgevoel, dat zwaarder, doffer wordt.

Nog één poging: ze wil opstaan, verder gaan, ze slaat de hand om den bij haar hangenden tak om zich op te liijschen, maar de kracht ontbreekt haar: zachtkens valt het hoofd neder en de oogen sluiten zich.

De zon staat reeds hoog aan den hemel en goudirlanst om haar heen. als ze eindelijk ontwaakt: 't moet

c

reeds middag zijn.

In de verte hanengekraai en hondengeblaf en boven haar "t vroolijk krijschend getjilp der musschen: gindscli 't dot hoefgetrappel van een naderend niet rinkelende bellen omhalsterd paard en 't luid joelend gezang van den voerman: nu overal het leven, het blijmoedige, juichende leven omringend haar smart en ellende. Langzaam verrijst zij. het nog steeds slapend wicht tegen 't lijf. en dan schrijdt ze voort met hangen, onwilligen

tred naar dien zingenden man.

„Woi is de weeg nao Hél !' vraagt zij verlegen als

zij in zijn onmiddellijke nabijheid is.

Sluiten