Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een dolle drift, een onstuimige woede, die zich meester maakt van haar ziel; 't brandt alles in haar lichaam.

Ze zet de ladder tegen den balk, waaronder de veroordeelden zwaaien heen en weer.

Ze klimt naar boven, drie sporten te gelijk. Weg vliegt de zwerm even omhoog, snel klapwiekend, scherp krassend, als willen zij hun woede uiten, omdat zij verjaagd worden van haar prooi.

Één is gebleven, verward met z'n pooten in de kleeren van haar man; ze grijpt het dier, en in ziedenden toorn, sissend vloekende vermaledijdingen, slaat

ze liet dood tegen liet hout.

Dan slaat ze haar arm 0111 zijn midden, en met inspanning van al haar krachten opbellend den loggen, zwaren last, maakt zij met de vrije hand los liet touw

uit den ijzeren haak.

Nu langzaam, voorzichtig naar beneden.

Op den grond legt zij hem neer, lang uit; niet bevende, trillende vingers wringt ze los het dikke kooid,

dat nauw, vast omstrengelt den dichtgenepen nek ; met

haar handpalmen veegt zij weg 't bloed, dat in dunne stralen vloeit over 't gelaat uit de nog ondiepe wonden, door de beesten daarin geboord.

Plotseling wijkt ze terug; die oogen, groot open, kijken haar aan met strak starenden blik; 't is of lnj nog leeft, en weer hem naderend, buigt zij zich over hem heen, zachtkens lispelend: „Nol .... Nol , langzamerhand harder, harder, tot gillens toe: „Nol

Nol."

(Jeen antwoord, altijd geen antwoord, en toch tuurt

Sluiten