Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij haar steeds aan of hij haar ziet, of hij haar kent.

Ze kust hem. haar gloeiende lippen drukkend in t koude, dikke vleesch van zijn wangen, steeds kermend: „Nol, mien Nol. mien enne jong. "

Daar boven krijschen en krassen weer met hun akelig, schor geluid de zwarte vogels, wachtend op hun aas.

't Maakt haar radeloos; ze heft «le vuisten op tegen

dat gebroed uit de hel.

U! ze zullen hem niet meer hebben; ze zullen zijn

lijk niet meer schenden, nooit meer, nooit.

In haar onmiddellijke nabijheid een diepe leemkuil, daar zal ze hem inleggen, daar zal ze hem begraven.

Ze is woedend op 't noodlot, dat haar zoo zwaar, zoo diep heeft getroffen; ze vervloekt 't menschdom, dat haar man heeft vermoord, dat haar zoo wreed beleedigt en hoont; ze haat God, die haar heeft verlaten, en toch, schier onbewust, zijgt ze neer op haar knieën ; ze vouwt de handen eu ze bidt vurig, hartstochtelijk voor het zieleheil van den ter dood gebracliten Bokkenrijder. Eindelijk opstaande sleept zij den dierbaren doode

naar den kuil, zijn grat.

Bij den rand nog enkele kussen en dan zachtksns

laat zij 't lichaam zakken, tot hij neerligt op den mod-

derigen, besneeuwden grond.

Met haar handen neemt zij weg de kluiten leem, opgehoopt naast 't gat; ze werpt ze zachtkens neder, telkenmale een huivering door haar leden als een aardklomp niet doffen slag neerstort op het doode lichaam.

't Gaat langzaam, uiterst langzaam ; ze zal onmogelijk t werk ten einde kunnen brengen, onmogelijk dien

Sluiten