Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooveel rampen en ellende geteisterd land nog armer gemaakt.

Er heerscht in de gemoederen der boeren en vooral der boerinnen een wrevel tegen dat aangenomen kind van den voormaligen drossaard.

Hun eigen wettige, eerlijk gewonnen kinderen lijden honger; slechts schamele, armoedige kleederen beschutten hunne tengere lichaampjes tegen de nijpende koude en dat kind, door niemand gekend, waarvan niemand de herkomst weet, op zekeren dag neergelegd _ God weet door wie — voor de deur van een groot huis, dat kind baa.lt zich in weelde en rijkdom, dat krijgt het smakelijkste eten volop, dat is gekleed in dik, warm bont, terwijl de hunnen .. . 't kost hun dikwijls moeite om geen uiting te geven aan die booze ijverzucht, om te smoren achter de saamgenepeu lippen de scheldwoorden, als zij .le pleegmoeder zien voorbijschrijden aan haar hand t kleine jongetje.

Eens echter op een kouden winterdag, terwijl zij weer wandelt met haar beschermeling langs een groepje vrouwen, met magere, uitgeteerde wezentjes op hun armen, zegt een dezer met bijtenden spot: Selderjenne, ich wouw, dat 't mient ouch e basterd waor, misschien hauw er et dan ouch zoi good es dat dao" en de anderen lachen met valschen schaterlach, ten teeken van instemming met die woorden.

Woedend keert de beleedigde vrouw zich om en kijkt hen aan met verbolgen, verwijtenden blik.

Stoutmoedig in hun lijden, brutaal door hun algunst, slaan zij de oogen niet neer.

Dan ijlt ze voort met haastige, groote stappen, als

Sluiten