Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het ware met zich meesleepend <len kleinen jongen. Lomp, zwaar laat zij zich vallen op een stoel, als zij

eindelijk te huis is.

„Bastaard" hebben ze hem genoemd, haar schat, haar lieveling, 't kind, waarvan zij de moeder is geworden en dat ook haar innig, hartstochtelijk als een moeder liefheeft en zij duwt het knaapje tegen zich aan, met haar hand zacht streelend over het gezichtje.

„Bastaard" hebben ze gezegd, duidelijk, hard en ze hebben zich niet geschaamd, toen ze hen aanzag; ze hebben niet eens gevoeld, dat zij onmeedoogend en wreed waren; 't was toch de schuld niet van dat wicht, dat zijn ouders hem hebben verstooten, dat ze hem als een waardeloos ding hebben gelegd voor haar deur.

Gelukkig dat haar lieveling, haar kleine Theo, dat woord zelf niet heeft gehoord of begrepen ... nog niet, maar later . . . later, dan zal hij haar vragen wat dat woord „bastaard" beteekent, waarom dat ze hem zoo noemen; ze zal het hem niet zeggen, nooit, in «1 r eeuwigheid nooit, maar toch zal hij eindelijk de waarheid ontdekken; anderen zullen hem vertellen, verwijtend dat zij zijne moeder niet is en vaster drukt zij den knaap tegen haar borst, zoete, lieve woordjes hem toefluisterend, de vooruitgestoken lippen op zijn wangen.

Des avonds, nadat zij den jongen te bed heeft gelegd. vertelt zij t gebeurde aan haar echtgenoot.

Deze is woedend; vloeken en vermaledijdingen sist hij door zijn tanden heen; hij zal dat gepeupel, dat canailletuig verpletteren, vermorselen, hij. de voormalige drossaard, hij zal . . . wat zal hij eigenlijk ... niets,

niets; hij is machteloos tegenover dat laf, gemeen tuig,

Sluiten