Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gende oogen, de vaste stroeve stem, <lie geheel zich zelve beheerschende kalmte bewijzen tevens, dat ze haar ongelukkig-zijn heeft gedragen met een buitengewoon krachtig willen.

Ze is gegaan naar het groote buitengoed, vroeger bewoond door den heer van Eerenstein.

Een beklemd gevoel in haar als zij het groot, breed huis ontwaart; langzamer en langzamer wordt haar eerst haastige stap, hoe meer ze haar doel nadert. Schuw kijkt ze in 't rond als ze eindelijk staat voor de ontkleurde barrière; 't lijkt haar alles leeg, verlaten ; de paden in den tuin zijn vol gras, waartusschen het hoog opgeschoten onkruid welig tiert; de blinden zijn dicht achter de dik bestoven vensters; de steenen trap, die naar de deur voert, vies, vuil, hier en daar met mosplekken begroeid, de ijzeren krulornamenten geheel verroest.

Lang tuurt ze naar die trap met peinzend oog, onbeweeglijk, de handen slap gevouwen hangend op den buik; 't is of al haar gedachten zich concentreeren op dat ééne punt, op die steenen trap.

Eindelijk tracht ze te openen de barrière: 't gelukt haar echter niet; deze is gesloten.

Jaren lang heeft zij zich verborgen in Waremme, een dorp in het Luiksche.

Angstig, dat de justitie van Heerlen haar nog vervolgde, nog zocht, heeft zij daar geleefd onder een vreemden naam; al dien tijd heeft zij gewacht om haar kind weer te kunnen omhelzen; met angstige, span-

Sluiten