Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O God, die kus, die lach, daar heeft zij geen vecht op, die vreemde vrouw, die zijn voor haar, voor haai alleen, want 't is haar kind, haar jongen; zij heeft hem herkend; 't is het gezicht van haren Nol; dezelfde neus, dezelfde trouwe, goedhartige oogen, diezelfde blijmoedige lach.

Het rijtuig is in hare onmiddellijke nabijheid.

Zij wil schreeuwen; zij wil t uitgillen, dat zij zijne moeder is, zijne ware, waarachtige moeder, maai ze kan geen geluid geven; t is of ze plotseling stom is geworden.

I >e wagen snort haar voorbij en de knaap heeft niet eens naar haar gekeken; met geen enkelen blik, met geen enkelen oogopslag heeft hij haar zelfs verwaardigd. Al zijne liefde voor die andere, voor die vreemde vrouw en voor dien man, den moordenaar van haren Nol, van zijn vader — dat is hij, maar .... hij heeft toch ook het leven gered van haar kind; als hij het niet tot zich genomen had, dan zou het van den honger gestorven zijn. Ze moet dat wezen haten, maar tegelijkeitijd moet ze hem dankbaar zijn, omdat hij het leven heeft gegeven aan haar kind, omdat hij het liefheeft.

Ze hebben hem lief, beiden, dat heeft ze gezien, maar toch niet zooals zij; dat kan niet, dat is onmogelijk: daarvoor is zij „moeder"; „haar" liefde kunnen die vreemden nooit geven aan „haar' kind ... maar zij... zij kan hem niet geven dien rijkdom, die weelde. Hij zal met haar moeten wonen in een klein huisje; hij zal zich moeten gewennen aan eenvoudige wollen kleeren; hij zal zich 's middags tevreden moeten stellen met wat aardappelen en een stukje spek.

Sluiten