Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

later is zij al terug in haar woninkje en ze wascht zich weer. vet doende schuimen de zeep, telkens kijkend in 't spiegeltje ot' ze nu helder er uit ziet. <>i haar wangen genoeg glimmen en ze schegelt het haar in rechte

scheiding midden op het hootd.

Ze bekijkt zich heel lang in dien spiegel; eindelijk een glimlach van zelfvoldaanheid om haar lippen ; dan tooit zij zich met den nieuwen rok, ze steekt haar voeten in de glinsterende schoenen en zóó plaatst zij zich voor het raampje, dat uitzicht geeft op het kasteel, van tijd tot tijd met gluuroogen zoekend naar mannen met een drieteut op het hoofd en een geweer over den

schouder.

Eindelijk heel in de verte bij den bosclirand twee van die wezens en terstond hangt zij 't beddelaken uit liet raam, aan welks zijde geen gevaar te duchten is.

Nu kan zij al haar aandacht, al haar voelen wijden

aan dat slot voor haar, waarin haar jongen woont.

Achter welk venster zou hij slapen ot zou hij al wakker zijn? Waar zal ze hem dan 't eerst zien ! en vlug laat ze haar blik dwalen langs de lange rij der ramen.

Eensklaps een rollende, golvende beweging in een der gordijnen en dan plotseling het krulharig kopje van

haar jongen, achter het glas.

Een blijde, lachende jubelkreet, die echter dadelijk verstomt, als zij achter hem ontwaart die vreemde vrouw, die zijne moeder niet is; daar had „zij moeten staan, zij alleen; dat is haar plaats, haai ie< lit.

Er komt een booze woede in haar ziel; verwenscliingen glijden door haar lippen als ze ziet hoe die vrouwden knaap aankleedt, telkens hein streelend en kus-

Sluiten