Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In haar woninkje zet zij zich weder op dezelfde plaats, van waar zij haar blik kan laten dwalen over dat omvangrijk park; zij houdt echter haar oog gevestigd slechts op dut ééne venster, recht hoven de deur, waar ze heden morgen hem heett gezien.

Den volgenden morgen alweer op diezelfde plek, alweer turend naar datzelf de venster en ook thans alweer diezelfde gemoedsaandoeningen, diezelfde vreugde, diezelfde blijdschap, maar ook diezelfde droefheid, diezelfde woede, datzelfde ongeduld.

Goddank, daar komt hij en op hetzelfde oogenblik verlaat ook zij haar huisje en ze holt in ijlende vaart, den hoepel in haar hand, den heuvel af naar de groote barrière.

Haar hoop wordt ditmaal niet vervuld; haar Willem komt niet in de nabijheid van het hek; hij speelt ginds, aan de andere zijde van den hot.

Sluipend langs de haag. die het park omzoomt, nadert zij haar kind.

Als zij straks bij hem is verheft zij zich plotseling vriendelijk, hem toeroepend: „Theo, wil .je niet je hoepel terughebben, dien je gisteren hebt laten liggen !

„.Jawel," antwoordt de knaap schuchter.

„Kom dan maar even hier voor «le haag."

Bedeesd, aarzelend, met onwillige stappen, komt bij naderbij; snel grijpt hij vervolgens den hem toegestoken reep, om dan weer ijlings terug te treden.

„Hen je bang voor me, Theo!

„Neen," wenkt de knaap, steeds blijvend op een afstand.

Sluiten