Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning in zijn hand geklemd, staart hij beiden aan, beurtelings, met vreesachtigen blik.

Ze «lurven de oogen niet tot hem opslaan; roerloos zitten ze, angstig turend naar den grond.

b alsof alsof ik uw eigen kind ben

geweest," herhaalt hij langzaam woord voor woord, „vader, die woorden zijn u toch geen ernst, 't is toch niet waar, zeg, dat het niet waar is."'

„Helaas, jawel, mijn kind; ze zijn gezegd in vollen

ernst."

„Ik ... . ik ... . ben dus uw zoon niet .... maar dan toch wel die van moeder, niet waar!

„Helaas ook niet.

Een kreet, een gil en hij wankelt achteruit enkele passen, tot zijn lichaam steun vindt tegen een tafel; toen plotseling met rauwe kraakstem: „als u beiden mijn ouders niet zijt, wie, wat ben ik dan wel — wie

was mijn vader?"

Enkel een langzaam schouderophalen, een gebaar

van niet-weten.

„En mijne moeder, kent u die ook niet?

„Haar naam heeft ze ons nooit willen zeggen. „U kent ze dus, u hebt met haar gesproken, u kent dan toch haar persoon, maar wie, wie is ze dan ?

„Herinner je, m'n jongen, dien nacht, waarin ons

kasteel is verbrand?"

„Ik weet het, ik weet bet," gilt hij, „die vrouw, die mij uit de vlammen heeft gehaald, waar is ze vader!

Leeft ze nog!"

„Ik weet het niet."

„U weet het niet u weet het niet; u wist, dat

Sluiten