Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar kind ; de innige liefde, die zij voor elkander koesterden, hun intens zalig-zijn bij de geboorte van hem, hun kind, bijna onmiddellijk gevolgd door de diepste, meest wreede armoede, hun hongerlijden; en dan zachter, 't hoofd nog meer omlaag, den diefstal, het door den drossaard uitgesproken vonnis, eindelijk fluisterend, nauwelijks hoorbaar, zijn dood en ten laatste haar eigen misdaad: het te vondeling leggen van haar kind, omdat ze het niet van honger wilde laten sterven.

Lang zitten ze naast elkander, hand in hand, zonder een enkel woord te zeggen.

„Ik heet dus Willem Poyck en ik ben de zoon van een aan de galg gestorven Bokkenrijder,'1 lispelt eindelijk de zoon.

„Je veracht hem dus" en driftig opspringend voegt ze hem toe, snel, rad: „zie je wel, dat ik het je niet had moeten vertellen."

Zacht drukt hij haar weer neer naast zich op de bank.

„Neen moeder, ik veracht vader niet; ik heb slechts innig medelijden niet hem;" en hij laat zijn hoofd vallen tot het steun vindt op haar schouder.

„Dank je, mijn jongen voor die woorden en ... . nu je alles weet, wat denk je nu te doen V

„Teruggaan, naar mijn pleegouders, met u."

„Met mij! dat gaat immers niet, Willem."

„Ik heb mijn woord gegeven, dat ik u zou meebrengen en dat breek ik niet."

„ Maar ze zullen mij wegjagen, als ze weten wie ik ben-"

„Dat zullen ze niet; daarvoor ken ik hen te goed; ze zullen u in liefde ontvangen, omdat ik uw zoon hen, omdat ik u liefheb."

Sluiten