Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar antwoord me dan toch, Marie: je maakt me gek," en hij stampvoet op den grond.

„Stil Willem, houd je bedaard. Wiesje mag het niet

weten."

„Maar wat dan toch. wat mag ze in 's hemelsnaam niet weten ?"

„Je kind, m'n arme broer, is mismaakt geboren; 't heeft een hoogen rug.'

„'n Bult?"

„Helaas ja, Willem."

Een oogenblik een doodsche stilte; hij kijkt haar aan wezenloos, met verwilderde blikken, plotseling zijgt hij neer in den achter hem staanden fauteuil en hij barst uit in een zenuwachtig, schokschouderend snikken.

Droef ziet ze hem aan dien gebroken, geknakten man, dien vader, zooeven nog zoo innig gelukkig, nu diep, diep rampzalig, wanhopig, omdat zijn dochtertje is ... . zooals zij.

Zoo een langen tijd.

Eindelijk legt ze zachtkens haar hand op zijn schouder en met een te vergeefs naar vastheid strevende stem fluistert ze hem toe: „'t is verschrikkelijk, m'n arme jongen, maar 't is nu eenmaal niet anders; houd je in Godsnaam goed en laat Wiesje er vooreerst niets van merken; 't verdriet zou voor haar gevaailijk zijn, ze zou den schok misschien niet kunnen doorstaan.'

„Ik zal't probeeren, Marie," stottert hij eindelijk, „maar 't is afschuwelijk, 't is vreeselijk," op dit oogenblik niet ziende «ie wanschapen gestalte der vrouw, die voor hem staat.

Sluiten