Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat lachen, dat vroolijk zijn doet haar pijn, jaagt haar schrik aan — 't maakt haar taak van onheilhode oneindig veel moeielijker.

„ En is de baby ook gezond ! Ze slaapt zeker heel rustig, want ik heb de baker den geheelen morgen nog niet gezien; zeker op jouw bevel, dat ze niet eens bij mij mag komen," vraagt Wiesje weer met denzeltden gullen, hartelijken lach; „slaapt ze werkelijk zoo vast

0 God, ze kan tegenover die vrouw, tegenover haar lieveling zich zelve bijkans niet meester blijven; ze kan schier haar kalmte niet meer bewaren, en toch 't moet, 't moet.

Ze zet haar tanden op de lip, omdat zij geen uiting wil geven aan haar wanhoop.

„Slaapt ze nog altijd V vraagt de moeder weer. Heilige Maria, Moeder Gods, wat moet ze haar zeggen!

„Je antwoordt niet, Mar ie," en de zooeven nog lachende, van vreugde glinsterende oogen kijken haar angstig aan .... „is er iets met 't kindje gebeurd, Marie'?"

„'t Is niet heel.... wel, lieveling."

„Niet.... heel.... wel, je zegt dat zoo ernstig, zoo treurig."

„'t Is niet heel en al zonder gevaar."

„Marie," en de jonge vrouw heft op het bovenlichaam ; ze grijpt de hand harer zuster, en dan met krachtige, gebiedende stem: „zeg me de waarheid, Marie, de volle waarheid; ik zal alles kunnen verdragen, dit beloof' ik je; ik voel me sterk genoeg, maar

Sluiten