Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

folter me uiet langer, laat mij niet langer in twijfel, zeg me ronduit: is er nog hoop .... of is 't misschien

al ... . dood?"

„Dood .... ja Wiesje .... 't is dood, maar trek het je niet te veel aan, je hoeft er lieusch niet zoo over te treuren, want 't is beter zoo; t kindje is gelukkig.

,l)ood .... heter zóó .... 't is gelukkig, herhaalt de moeder weer, werktuigelijk, wezenloos voor zich uitturend .... „wat, wat zegje toch, Marie, ik begrijp je niet."

„'t Is gelukkig, Wiesje, omdat haar geheel bestaan niets anders zou geweest zijn dan ééne marteling, ééne foltering, omdat niets anders dan spot, hoon en vernedering haar ten deel zou gevallen zijn; omdat ze gedurende geheel haar leven zou droef zijn en lijden, zooals „ik" heb geleden, wantje kindje was zooals — ik ... . 't was mismaakt. . . . t had ook een bult.... nu weet je 't, m'n lieveling, waarom ze op dit oogenblik gelukkig is."

Een pijnlijke stilte, niets anders dan een zwaar, snel ademhalen.

Dan slaat de jonge moeder haar arm om den hals harer zuster; ze trekt haar hoofd omlaag tot het steun vindt op haar borst, en ze fluistert haar toe met weemoedige stem: „arme, arme zus."

Toen een zenuwachtig keelsnikken, waarvan het geluid wordt gesmoord in één lange omhelzing, vol wanhoop en smart.

Sluiten