Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lokken op het voorhoof*] ; de diep in hunne kassen liggende donkere oogen dwalen rusteloos heen en weer; een scherp gelijnde neus boven een langen knevel; de bruine, ongeschoren kaken ingevallen onder de vooruitstekende jukbeenderen; om den nek een smerig roode foulard, scheef op het vies, groengeel, tluweelen buis; een overal gelapte broek, waar onderuit de dikgezoolde schoenen met glinsterende spijkerkoppen.

„ Jussus-Marante-Deius, dao is Gekke Joep!" klinkt plotseling een hoog schreeuwerige stem; allen in de nabijheid wenden de hoofden om en turen met spottend lachen den kermisreiziger aan.

„Daag Joep, wie geit et mit dich 1 ich höb dich in langen tied neet gezeen."

„Ich dich ouch neet, bekker; is dien broid al dien tied eve slech, deur en klein gebleve," vraagt hij met sterk geprononceerd vreemd accent.

„Vermaledijde gek da's te bos!" bromt de beleedigde broodverkooper.

„Gek, gek, zes te. de gekke zekke dewaorheid, bekker," en hij loopt voort, gevolgd door de immer lachende menigte.

„Joep, wie hits te," vraagt een ander.

„Dat bootste mich neet te vraoge, jong, doe höbs et jao zeivers gezag."

„Jè mè ich mein dienen anderen naom; wieschriefs te dich?"

„Ich schrief gaar oet neet."

„Wo kumps te van dan, Joep?" vraagt weer een ander.

„Ich höb veurgiestere noch bie dich in d'n stal ge-

Sluiten