Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groep viiu dicht tegen elkander gedrongen wezens, „'t Is mirabolant," fluistert er een.

„'t Is effectief kollosaal: 't is vas en zeker e verloupe arties," prevelt een ander eveneens niet zachte stem.

Eu dan met zekeren angst, niet eenige aarzeling, als is hij hang dien kunstenaar te beleedigen, dien men zooeven nog bespotte niet vroolijke hilariteit, vraagt een der omstanders:

„Joep, zing os es te bleet'noe nog e schoin leedsje; de wits waal, dat franse."

„Good jongens, mè dan kom ich mit et bakske en dan grosche d'rin, hoirt."

„Jao, joa Joep. zing mèr, de zuls content zien, en onder dezelfde doodsche stilte, zich zeiven begeleidend op de viool, zingt hij eene fransche romance.

En ook thans weer diezelfde hartstocht, diezelfde passie, maar tevens ook diezelfde droefgeestige melancholie. Die man zingt niet voor zijn toehoorders: hij# zingt voor zich zeiven; hij voelt ze diep in zijn hart de woorden, de zinnen, die hij uitgalmt met heldere. 111elodieuse stem. En als de in geestdrift vervoerde dorpelingen weer woest klappen in de grove, vereelte handen en met de dikgezoolde laarzen stampen op de roode plavuizen, veegt de kermisklant niet z'n mouw het zweet van het voorhoofd en tegelijkertijd een traan uit het oog, ym dan terstond niet gemaakten grijnslach te schreeuwen: „noe kom ich mit et bakske, jongens.

Hij springt van de tafel en wringt zich door dien menschenchaos, voor ieder houdend een diep rond houten bakje, telkens even brommend,ten teeken van dank, als er een zijn aalmoes heeft ingeworpen.

Sluiten