Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vooral ile laatste had eene bizondere vereering voor den vreemdeling.

Deze had menigmaal met onzen hovenier gesproken over planten en bloemen; hij had hem de namen geleerd der uitheemsche gewassen in de serre; hij had hem onderwezen in liet verzongen van zeldzame exemplaren, hetgeen den braven man dikwijls de bewering heeft doen uiten: „dat dè Joep vas en zeker e duvelskunsteneer waor, e kèl, dè alles wis en alles kos.

Dan zaten ze in de schaduw van den wijdgetakten boom op een ronde bank, allen omringend den vreemden violist. Hij speelde lang, zeer lang, want hij wist, dat hij, behalve «Ie grosschen van de rond hein zittende toehoorders, ook nog kon rekenen op een heelen franc mijner moeder, dien ik dan met kinderlijke blijdschap hem zelveu steeds mocht overhandigen.

Ik hield veel van Joep, ik was hem zelfs innig dankbaar. Eens toch, terwijl ik zelf de een of andere arnu op mijn viool kraste, had hij zich verscholen achter een boom voor het openstaand venster en toen ik, na een vreeselijk lang uur van gedwongen studie, liet instrument wegborg en met mijne moeder in het park verscheen, was hij haar beleefd, onderdanig genaderd; hij had haar gevraagd of ik de jongen was, die zoo even had gespeeld en of ik haar zoontje was, en toen zij hierop bevestigend had geantwoord, zeide hij: „och mevrouw, dwing dien jongen niet langer tot muziek maken; daar komt toch nooit iets van terecht: hij zal z'n heele leven 'n sukkel blijven; de jonge heer voelt niet wat hij speelt en zonder gevoel bestaat geen muziek; u kunt hem net zoo goed een prachtig vers laten

Sluiten