Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I)e zon schijnt hehler aan <len Mauwen, wolkeloozen hemel en doet goudglanzen de kabbelende golfjes \ au de Semois, het kleine, snelvlietende riviertje, dat 111 tallooze bochten zich slingert langs de onafzienbare tabaksvelden aan den voet der bergen.

Eenzaam in gedachten verzonken schrijd ik voort over den witzanderigen weg, turend naar de zwart leien daken van het plaatsje, dat ver beneden mij ligt als een donkere vlek te midden van een ontzaglijk groene kom.

Werktuigelijk beantwoord ik liet „bonjour ami, dat de dorpelingen mij in t voorbijgaan toeroepen.

Eensklaps wordt mijn oog getroffen door een wandelaar. geheel het type van een in Zondagskleeren gedosten burgerman; de hooge hoed, oud model, diep op het hoofd; de kraag van de lange jas hoog in den nek en handschoenen veel te wijd; naast hem een blond, ongeveer zestienjarig meisje, met vriendelijk, vroohjk gezichtje, gekleed in het eenvoudig kostuum der pensionaires van liet een of ander nonnenklooster.

Er komt eene eigenaardige, opmerkzame verwondering over mij bij het aanschouwen van dit tweetal.

Dien man had ik meer gezien, de donkere zwarte haren, 1111 ietwat grijzend, die glinsterende oogen, die geheele gestalte, dat alles kende ik, alleen dat kalm. dat rustig voortschrijden was mij vreemd.

Ik nader hem meer en meer; als ik nog enkele st bieden van hem verwijderd ben en zijn oog het mijne ontmoet, kleurt plotseling een donkerroode blos zijne wangen en tegelijkertijd het jonge meisje bij den arm grijpend, wendt hij het lichaam om en keert terug naar het plaatsje.

Sluiten