Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schelen op dat oogent>lik, 't liet mij koud, onverschillig.

„Je hebt hem doodgeslagen!" herhaalde zij weer, „arme, arme Joseph, maak dat je weg komt," en zij duwde mij met zacht geweld het prieeltje uit.

En weer duisterde zij mij toe: „maak dat je weg komt, Joseph, ver weg."

Ik ging echter niet weg; ik bleef staan, stil, onbewegelijk. 't Duurde lang, heel lang. eer ik mij zeiven rekenschap kon geven van hetgeen ik gedaan had.

„Doodgeslagen,", „ maak datje wegkomt!" ik hoorde ze telkens en telkens die woorden, zonder ze nog te begrijpen.

Eindelijk werd mij alles helder: doodgeslagen, ik zou dus in de gevangenis moeten gaan, lange jaren, omdat ik dien hond had vermoord en daarom moest ik weggaan. vluchten, ver weg — maar dan zou ik haar niet meer zien ; ik zou haar niet meer kunnen helpen, als zij mijn steun noodig had — dat zou ik ook niet kunnen als ik werd veroordeeld tot lange gevangenisstraf.

Jezus-Maria-Jozef, wat had ik gedaan! Ik wende mij om en weer viel mijn blik op dien ellendeling, nog altijd uitgestrekt op den grond; er kwam in me op een lust om te spuwen op dat gezicht, om te schoppen dat lichaam.

Ik heb het niet gedaan; ik weet eigenlijk niet wat mij weerhouden heeft.

„OGod, Joseph, vlucht, vlucht toch!" smeekte Marie weer. Toen hel» ik haar hand genomen, ik hel» die gekust; ik heb ook het kleine kind gekust en toen ben ik weggeloopen, zoo hard ik kon, naar mijn tuinhuisje.

Ik heb mijn viool genomen en het door mij opge-

Sluiten