Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die korte oogenblikken van alleen zijn zal ik nooit vergeten; ik werd bang; er kwam een laffe angstover mij.

Ik voelde mij weereen kermisreiziger, die voor enkele centen een deuntje speelt in kroegen en berbergen: ik hoorde weer die stemmen der boeren, die mij „Gekke Joep" noemen en ... . zou zij mij wel „oom willen noemen; onwillekeurig wierp ik een blik op mijn kleeren; 't was mij alles zoo vreemd, zoo „Gekke-Joepachtig;" toen een idéé van wegsluipen, van vluchten.

Eensklaps werd de deur geopend; een jong, blond meisje trad binnen, en met den uitroep: „dag oom, heeft zij tegelijkertijd haar armen om mijn hals geslagen en vurige kussen op mijn wangen gedrukt.

„Oom!" Zij had het gezegd, ofschoon ik nog geen enkel woord had gesproken, nog geen enkele onwaarheid, nog geen enkele leugen had geuit.

In haar oog dus geen vagebond, geen liedjeszanger, maar de broer van haar moeder, Mar ie de liertheuil; in haar geest dus weer, wat ik eens was geweest lang, lang geleden; ik mocht weer over mijn jeugd spreken, ik mocht vertellen aan dat kind, dat ik haar moeder had liefgehad, met devotie, als een zuster, en dat was ten minste geen leugen, dat was «le waarheid, de volle waarheid.

Ik liet mij vallen op den eersten stoel in mijn nabijheid; ik zette haar op mijn knieën en ik bekeek haar met groote starende oogen, vol tranen.

't Was net haar moeder, toen deze ook nog zoo klein, zoo jong was; 't was me ot ik ze weer voor mij zag niet haren levendigen, vroolijken oogopslag, met hare bolle blozende wangen, met haar schalkschen lach; t was

Sluiten