Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijzige mist; uit den grijsbewolkten hemel wallende sneeuwvlokken, die wegsmelten in de bruine plassen der modderwegen. Kalm zit ik voor bet venster bij den gezellig verwarmenden haard, starend naar buiten, naar den verlaten straatweg. Plotseling voor mij de figuur van Joep, die ik gedurende tal van weken niet heb gezien; hij is erg verouderd; de donkereoogen liggen nog dieper in hunne kassen dan voorbeen, de 1 ug is nog meer gekromd onder de hoog opgetrokken schouders, terwijl de vast tegen het bibberend lichaam gedrukte ellebogen verraden, dat de strenge koude hem pijn doet.

Voorzichtig gluurt hij in 't rond en, niemand in de nabijheid ziende, wenkt bij mij, met even ter zijde geworpen hoofd, tot hem te komen.

Terstond geef ik gehoor aan dat verzoek.

„Mijnheer, ik zou u gaarne even spreken," begint

hij, als ik bij hem ben.

„Goed, Barral, maar kom dan binnen; 't is hier zoo koud en guur en op mijn kamer brandt de haard.

„Bij u, mijnheer, bij u, op uw kamer!

„Ja zeker, me dunkt, dat we daar toch veel betei

zijn dan hier in de sneeuw."

„Da's waar, maar zullen uwe dienstboden het niet vreemd vinden, als ze mij zien, mij, l?ekke Joep, op uw kamer 1 Zullen ze niet iets gaan vermoeden; kunnen ze ons niet beluisteren, want niemand mag ons

geheim kennen.'"

„Je hoeft niet bang te zijn, Barral; ik zal je dooi het achterhuis naar mijn kamer brengen, dan zal niemand je zien, dan weet geen sterveling, datje bij mij bent.

Sluiten