Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O, dan niet genoegen, mijnheer, want het is koud, erg koud."

Enkele oogenblikken later zit hij reeds voor het gezellig vuur in een gemakkelijken fauteuil, het hootd achterover leunend tegen het mollig trijp, de oogen gesloten, terw ijl een zacht piepend geluid opstijgt uit zijn borst.

Eeu hevige hoestbui doet hem weer de oogen openen.

„Ik ben bang, mijnheer," stottert hij eindelijk.

„Bang! Jij, Barral, bang! Ik dacht niet dat je veel

vrees kende."

„Die ken ik ook niet, mijnheer; ik ben geen lafaard

en toch ben ik zoo bang, o God zoo bang.

„Maar waarom dan toch ?"

„l)e jonge Martin heeft Marie ten huwelijk gevraagd."

„En deugt die niet?"

„O ja wel; 't is een flinke, eerlijke jongen, die werkt als eeu paard, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, een jongen, die haar zeker gelukkig zal maken, als ik een man voor haar had mogen uitkiezen, dan had ik zeker geen betere keuze kunnen doen, anders zou Marietje ook niet van hem houden en ze houdt van lieni; ze heeft het mij zelve geschreven."

„Ik begrijp je niet, Barral; je hebt een man gevonden voor je beschermelinge, dien je zelf voorstelt als een ideaal van een echtgenoot: je bent overtuigd, dat zij gelukkig zal zijn aan de zijde van dien jongen, dat al je illusies zullen verwezenlijkt worden en je bent bang!"

„Begrijpt u dat niet, mijnheer?" en hij heft niet

Sluiten