Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo een langen tijd.

„Jussus Maria Joezef," stottert er plotseling een, „dao kump dè Smaus ouch al."

Een onverschillig, langzaam hoofdomwenden der overigen.

„Verdomde kèl.... heet os vern

„ Daag hiëre," begint de marskramer, als hij in hunne onmiddellijke nabijheid is, „waal, waal. ich dach, dat geer al veul wiejer zoudt zien," en in het fonkelend oog straalt schalksche, ondeugende spotternij.

„Cloot, mien schöpke beer, ich höh doorsch es e peerd."

„Es uch bleef, menier Cahn."

„A vót santé, hiëre," en de koopman ledigt in één enkelen teug het hem aangeboden glas.

De anderen volgen zijn voorbeeld, maar langzaam, met weerzin.

„Good beer, vindt geer neet, hiëre?" herneemt Mozes weer, „wille veer d'r hei nog ein pakke," en de mond plooit zich tot een wijden lach.

Geen antwoord.

Nog een kleine poos als een der jonge racers met stamelende stem zijn makkers vraagt: „Zouë veer nier wiejer goon V

„Good," brommen en prevelen zijn makkers.

„ Weite de hiëre noe ouch good de weeg," informeert Calui heel beleefd, heel vriendelijk.

Weer geen antwoord.

„Weite de hiëre et neet; «la's jaomer, mè 't «luit niks, ich zal uch dat ins tien expliceeren; loestertmèr: iers deez kant op, dan kumpt geer in „Vrank," dan in

Sluiten