Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meenten de verplichtingen tot pensionneering bij de wet op te leggen.

De Nederlandsche bond van gemeente-ambtenaren heeft zich voor het eigen pensioen der gemeente-ambtenaren niet tegen dit beginsel verklaard en door een motie, welke den 19den Juli 1902 in een vergadering gehouden te Amsterdam in het gebouw van den werkenden stand is aangenomen, verklaard, dat op deze wijze een goede regeling van het eigen pensioen der gemeente-ambtenaren te maken zal zijn, door toen de wenschelijkheid uit te spreken, dat het rijk de gemeente verplicht haar ambtenaren te pensionneeren. Ook de commissie, benoemd door het hoofdbestuur van den Nederlandschen bond van gemeente-ambtenaren, om van advies te dienen omtrent sommige wijzigingen en aanvullingen, welke in de gemeentewet dienen gebracht te worden, acht een goede regeling bij de wet mogelijk, zonder dat er nu bepaald rijkspensioen toegekend wordt, waar zij als eerste beginsel voor de pensionneering het volgende vaststelt: of de pensionneering van den burgemeester, den secretaris, den ontvanger en de ambtenaren, die den secretaris en den ontvanger bijstaan, geschieden zal vanwege het rijk, de gemeente of uit particuliere fondsen, doet niet veel ter zake, hoewel aan rijkspensioen de voorkeur gegeven moet worden, als de wet de pensionneering van hen zelf, van hun weduwen en weezen maar verplichtend maakt.

Wij sluiten ons daarbij volkomen aan. Ook wij achten een goede regeling van het eigen pensioen der gemeente-ambtenaren bij de wet mogelijk, zonder dat er nu juist rijkspensioen toegekend wordt, maar hetgeen de aanhangige motie Drucker wil, lijkt ons het juiste, billijke en praktisch meest bruikbare stelsel.

Dat dit stelsel juist en billijk is, wordt duidelijk aangetoond in een adres den 22sten Januari 1888 aan de tweede kamer der statengeneraal ingezonden door het bestuur der Nederlandsche vereeniging voor gemeentebelangen naar aanleiding van de omstandigheid, dat in de wetsontwerpen tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren en van hun weduwen en weezen, den 8sten December 1887 bij de tweede kamer ingediend, de gemeente-ambtenaren niet opgenomen waren.

In dit uitvoerige en grondig gemotiveerde adres herkent men dadelijk den helderen geest van den steller, wijlen den heer R. A. Verploegh Chassé.

Wij gelooven onzen lezers een dienst te bewijzen enkele gedeelten van dit reeds meer dan 17 jaar geleden ingediend adres in hun herinnering terug te roepen. Beter dan in dit adres gedaan is, kan er in het algemeen niet voor rijkspensioen gepleit worden. Wij ontleenen er het volgende aan.

„Het komt ons voor, dat deze uitsluiting (van de burgemeesters, secretarissen en ontvangers) althans mag heeten niet billijk te zijn.

„Dat de zorg van den staat zich ook tot de toekomst zijner

Sluiten