Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ambtenaren en daarbij ook tot het lot der weduwen en weezen van dezen uitstrekken moet, moge al bij enkelen nog tegenspraak kunnen vinden, toch zeker dit' niet, dat, zoo het eenmaal een staatszorg uitmaakt, de voorrechten er van dan ook aan allen behooren, die als ambtenaren, onverschillig in welke betrekking, tevens dienaren van den staat zijn, en dus in een meer of min verwijderd verband gezegd kunnen worden ook staatsambtenaar te zijn.

„Dat de wijze van benoeming en het genieten van bezoldiging uit de staatskas niet uitsluitend het recht op pensioen daarstelt, heeft men reeds lang aldus begrepen en wordt ook in het ontwerp uitdrukkelijk erkend.

„Het recht op pensioen is dus tegenwoordig geheel afhankelijk van de ruimere of engere opvatting van hetgeen men onder „„ambtenaar, tevens dienaar van den staat,"" te verstaan heeft.

„Ons beroepende op de pensioensaanspraak van de commissarissen des Konings, de griffiers en ambtenaren en bedienden ter provinciale griffie, en van de onderwijzers en leeraren aan de gemeentelijke inrichtingen van onderwijs, constateeren wij, dat naar de heerschende opvatting ook ambtenaren, die in de allereerste plaats de dienaren van provincie of gemeente zijn, met betrekking tot het recht van pensioen, als ambtenaren tevens in dienst van den staat worden beschouwd.

„En die opvatting mag zeker alleszins juist heeten; zelfs in het algemeen, in staatsrechtelijken zin namelijk.

„Ondanks toch het tot op zekere hoogte autonomische karakter van provincie en gemeente, moet naar onzen staatsvorm de inrichting en het bestuur van beide steeds en in alles dienstbaar blijven tot het behoud van het staatsverband, en zijn alzoo de ambtenaren van provincie of gemeente, voor zoover zij door de wet zijn aangewezen om de hun opgedragen taak daaraan bevorderlijk te doen zijn en om het centraal gezag in enkele of meerdere vakken van administratie hulp of steun te verleenen zeer zeker evenzeer dienaren van den staat, als van de provincie of gemeente, en in sommige aangelegenheden, evenals de commissarissen des Konings, de burgemeesters en gemeente-secretarissen zelfs in de allereerste plaats.

„In alle buiten-gemeenteluiishoudelijke aangelegenheden, waarbij de centrale administratie de dienst van burgemeesters, secretarissen of ontvangers vordert — en het is U bekend, dat zulke velen zijn treden deze op in een hoedanigheid, welke van die van staatsambtenaar kwalijk te onderscheiden is.

Niet het gezag, dat aanstelt, noch de kas, die de bezoldiging draagt, stempelt het karakter van het ambt, maar wel de aard der aan het ambt verbonden verplichtingen, in verband met het daarbij betrokken belang van staat, provincie of gemeente. En waar ingevolge onze instellingen, zekere ambtenaren van provincie of gemeente zijn aangewezen als ambtenaren ook ten behoeve van den algemeenen

Sluiten