Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iler gemeente-ambtenaren, vooral die, welke in tien aanvang der loopbaan genoten worden, zijn vaak zoo belachelijk laag, dat daarvan de eerste vier jaar onmogelijk jaarlijks 12 '/2 kan gemist worden voor ouderdoms- en invaliditeitspensioen, hoewel wij gaarne erkennen, dat aan een afloopende bijdrage ook belangrijke voordeelen verbonden zijn.

Met een jaarlijksche bijdrage van 2 °,0 der jaarwedden zijn echter de lasten van het eigen pensioen op verre na niet gedekt. Zelfs voor de ambtenaren, die in dienst treden na de invoering van de verplichte pensionneering, zal daar elk jaar nog ± 4 "/„ der jaarwedde bij moeten, welk bedrag gedragen zal moeten worden door den werkgever, volgens het thans algemeen als juist aangenomen stelsel, dat de werkgever naar recht en billijkheid verplicht is voor zijn arbeiders te zorgen, ingeval deze door ouderdom of invaliditeit niet ineer in hun behoeften van het gezin kunnen voorzien. Als die arbeiders niet genoeg verdienen, om zich tegen de gevolgen van ouderdom of invaliditeit te verzekeren, dan is de werkgever verplicht hen te helpen, welke zedelijke plicht door de ongevallenwet reeds voor een gedeelte als een wettelijke plicht aan vele werkgevers is opgelegd. Ook de gemeente-ambtenaren verdienen niet genoeg, om zich tegen de gevolgen van ouderdom of invaliditeit te verzekeren; het is voor hen in liet algemeen onmogelijk meer dan 2 °/0 van hun loon af te zonderen voor hun eigen pensioen, zoodat de 4 "/„, welke er dan nog aan te kort komt, door den werkgever, d.i. door rijk en gemeente, moet betaald worden; dit is billijk en rechtvaardig.

Dit wil ook het bestuur der Nederlandsche vereeniging voor gemeentebelangen. Art. 18 van de door dat bestuur ontworpen bepalingen voor een wet tot regeling van de pensioenen der gemeenteambtenaren en van luin weduwen en weezen geeft het recht aan de gemeentebesturen, om twee ten honderd 's jaars van het bedrag der door de ambtenaren uit de inkomsten der gemeenten of haar instellingen genoten wedde of belooning te vorderen of hierop te doen inhouden voor het eigen pensioen der ambtenaren, terwijl van de 4,03 °lu 's jaars der bezoldiging, welke dan nog te kort komt, de helft door het rijk en de andere helft door de gemeente zal betaald worden.

Wij ook kunnen ons met deze verdeeling der lasten tusschen de twee werkgevers best vereenigen, doch daar wij aangetoond hebben, dat het stelsel, voor de eigen pensioenen neergelegd in de motie-Drucker, n.1. pensionneering uit 's rijks kas, het juiste, billijke en nieest practische stelsel is, zouden wij de zaak liever omkeeren en het rijk de verplichting tot pensionneering willen opgelegd zien met een bijdrage van de gemeenten, welke bijdrage dan waarschijnlijk zonder veel administratieven omslag geïnd zou kunnen worden bij de vereffening van de rekening tusschen rijk en gemeente.

Wij zeggen hier opzettelijk, dat wij het rijk zouden willen laten betalen met een bijdrage der gemeenten en hebben niet van een

Sluiten