Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan het moeielijk te verklaren verschijnsel voor ons hebben, dat mannen als Ezra en Nehemia deze uitspraken aan Mozes toekenden óf bij vergissing óf tegen beter weten en geweten in. Zoo zegt Nehemia i, vers 8: „Gedenk toch des woords, dat Gij Uwen knecht Mozes „geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden. Ik „zal u onder de volkeren verstrooien. En gij zult u tot Mij „bekeeren, en Mijne geboden houden en die doen; al „waren uwe verdrevenen aan het einde des hemels, Ik „zal hen van daar verzamelen," enz.

Daarmede heeft Nehemia klaarblijkelijk het oog op zulke plaatsen als Deut. 4, vers 27 tot 29, en 30, vers 1 tot 4.

En zulke ondergeschoven profetieën zouden nochtans vervuld zijn, en dus het zegel van den God der waarheid hebben ontvangen? En zijn zij niet vervuld, gedeeltelijk ten minste, zoowel door de Babylonische ballingschap, als door de wederbrenging uit Babel .t>

Niet minder beslist is het profetische karakter der uitspraken van den Heere Jezus omtrent het lot van den tweeden Tempel, en het toen levende geslacht Zijner tijdgenooten. Zoo lezen wij van 's Heeren laatsten intocht te Jeruzalem in het Evangelie van Lukas, hoofdstuk 19, vers 41 enz:

„En als hij nabij kwam, en de stad zag, weende hij over haar, zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uwe oogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uwe vijanden eene begraving (verschansing) rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen. En zullen u tot den grond nederwerpen, en uwe kinderen in u; en zij zullen in u den eenen steen op den anderen steen niet laten: daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt."

De tranen van Jezus over het toen aanstaande lot van Jeruzalem en het Joodsche volk, moesten een ieder

Sluiten