Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De rechtgeaarde Amsterdammer, die een enkelen blik slaat in de vroegere geschiedenis zijner geboortestad, zal weemoedig gestemd worden, wanneer hij haar toenmalige grootheid met de tegenwoordige vergelijkt; hem kan de steeds toenemende grootte der stad daartegenover weinig troost bieden. Geen gemeente in de wereld had in de zeventiende eeuw zooveel staatkundige beteekenis, had zooveel invloed binnen- en buitenslands als Amsterdam. De lof, door dichters als Vondel, Antonides van der Goes e. a. haar toegezwaaid en die aan het nageslacht uitbundig en overdreven voorkomt, is bij nadere kennismaking met den toestand, waarin de stad in de zeventiende eeuw verkeerde, niet alleen gewettigd, maar zij geeft zelfs een zeer onvoldoenden indruk van de werkelijkheid.

Op elke bladzijde der vele gedrukte en ongedrukte — nog te min nagelezen en bewerkte — stukken vindt men gegevens, waaruit men de uitgebreidheid van den handel door de kooplieden van Amsterdam gedreven kan opmaken, buiten en naast de bekende Compagnieën. Uit verschillende landen kwamen groepen kooplieden, burgers en edelen hier zaken doen, en velen lieten zich als poorters inschrijven, die een hier niet bestaand bedrijf of een tak van handel aanbrachten. De talrijke uithangborden en opschriften als de Koning van Polen, de Koning van Zweden enz. dienden niet slechts tot herinnering aan een of andere gebeurtenis, maar waren betuigingen van beleefdheid aan het volk, waarmee groote zaken gedreven werden en dat hier zijn vertegenwoordigers, factoren of agenten had. Want naast de Consuls en Residenten woonden hier de factoren van allerlei landen: Polen, Rusland, Zweden, Denemarken, hngeland, Frankrijk, Mecklenburg, Brandenburg, Brunswijk, Pruissen, Lunenburg tot Wolfenbuttel, de Pfalz, Lijfland, Portugal, Spanje, Genua, Florence, Tripoli, Tunis, Salé. Die agenten waren ofïicieele personen, kregen hun lastbrief van den vorst van hun land en vertoonden dien aan Burgemeesteren, van wie tegen wederkcerige diensten alle bescherming en bijstand voor hen gevraagd werd. Zij vonden vergoeding voor hun werkzaamheid in de provisie, die zij maakten; Koning Frederik de Vierde van Denemarken echter betaalde den door hem in 1700 aangestelden agent driehonderd rijksdaalders 'sjaars als vast loon.

Het spreekt vanzelf, dat de Staten-Generaal dikwijls aan de Amsterdamsche vroedschap kennis gaven van de aanstelling van een Consul of Resident van een of ander land en voor dezen allerlei privilegies vroegen. Dan werden hun gewoonlijk vrijdom van allerlei accijnsen en een eereplaats in de kerk toegewezen. Maar even dikwijls wendden zich de vorsten zelf tot Burgemeesteren; bijv. de Koning van Frankrijk,

Sluiten