Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iu «Ie takken iler breede lindeboomen, aan weerszijden van den stoffigen weg, zingen de vogels; de bijen zweven snorrend voorbij, de vlinders fladderen in ongelijke zwenkingen. •

Op den grooten Maastrichtschen straatweg, grijswit in de zonnenhitte, een tiental jongens arm in arm in wilde hartstochtelijke opwinding schreeuwend, gillend met gebroken kraakstemmen om te smoren de traanopwellingen in de keel.

„Ich höb doorsch" geeft er een te kennen, „wille veer d'r dao ein goon pakke" en hij wijst naar eên klein huisje, boven welks deur eene wusch ') gestoken is, ten teeken, dat er hier bier wordt verkocht.

„Mich good" schreeuwen de anderen.

Huppelend treden zij den gang binnen om vervolgens met ruw onstuimig geweld de deur te openen. Plotseling een ijzige stilte te midden van hen.

In een hoek een viertal Fransche soldaten.

Lui liggen zij op hunne stoelen; de beenen lang rechtuit, den kleinen drieteut achter op het hoofd, het nauwe vertrek in nevelen hullend met hun pafrooken uit de kleine korte pijpjes.

„Entrez amis, entrez, vous allez nous verser uue chope de bière" schreeuwt er een „nous ferons de beaux soldats de vous, 1'armée en sera fiére", altijd niet dienzelfden sarrenden spotlach.

Een haatflikkering in het oog der knapen; in hun ziel een heet, vurig verhingen 0111 de glazen van het onooglijk buffet in hunne gebalde vuisten te grijpen en ze te slingei'en niet krachtigen armenzwaai in

') Kleine groene tak.

Sluiten