Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de valsch verwaten tronies hunner toekomstige tyrannen.

„Madame, quatre chopes de bi ere, les amispayent," kryscht de soldaat weer met datzelfde honend gelach.

Inhoudend hunne verkropte woede, drinken zij snel leeg hun door de vrouw achter het buffet ingeschonken glazen, betalen het gelag, ook dat der soldaten en zonder groeten, eene verwensching sissend tusschen de tanden, sluipen zij weer weg, zoo gauw mogelijk.

Stil zijn zij geworden; zij schreeuwen eu zingen niet meer; schuwe blikken werpen zij naar de torens van Maastricht, die klaar, helder oprijzen in de lucht. Loom, onwillig hun tred, bij het naderen der stad en bleeker hunne anders frissche boerenjongens wangen.

Op de Maasbrug, een onwillekeurig, zich zelf niet bewust voelen doet hen turen over de breed zich kronkelende Maas, voortstroomend in woeste vaart onder de hooggemuurde vestingwallen en verder langs groene weilanden in de richting hunner dorpen, welke zij straks hebben verlaten.

Dan langzaam verder door de woelige straten naar de Markt.

Kille huiveringen, oprillend langs den rug, dichtgenepen de kelen, als ze staan voor het groot vierkant massaal gebouw, het stadhuis; nieuwsgierige blikken naar andere troepjes uit omliggende dorpen, ook hier te saamgekomen voor de conscriptie. Hondom hen heen tal van inwoners van Maastricht, vrouwen en mannen met booze fluisterstemmen, met oproerig gemurmel vervloekend den vreemdeling.

Sluiten