Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de lius steekt, dezelfde popelende angst, dezelfde schuine blikken als liij het getrokken nummer overreikt.

„N°. un".

Het laagste nummer, soldaat, en tegelijkertijd een suizen in zijn ooren, een bonsdreunen in zijn hart; hij hoort vaag als een ver gedruiscli dat medelijdend gemurmel en gebrom.

Als een nevelachtige massa zweeft voor hem die drom van menschen, als hij voortstapt naar de deur. Krampachtig balt hij de vuisten en hij holt naar buiten door den breed gewelfden gang, de trappen af,

de straat op.

„Dè heet zich zeker d'r aan geloot" mompelen de mannen, die hem aanstaren en ook in hunne blikken een deelnemend meewaren.

Als, vol eerbied voor zijn smart, dringen allen op zij, een weg banend voor den ongelukkige.

Denzelfden middag smartkreten en tegelijkertijd een juichend gejubel in Eckeldonck: vrouwen, die lachen met hooge gilstemmen, andere, die huilen, met akelige weeklachten; vaders, doodelijk bleek, vloekend Godlasterende verwenschingen, anderen, die luid uitgalmen hun blij geluk.

Hunne jongens zijn nog niet teruggekeerd uit de stad en toch kennen reeds allen den uitslag van de loting.

Talrijke Teuten, rondreizende marskramers, hebben zich terstond na den afloop der loting naar de verschillende dorpen begeven en het heugelijk nieuws

Sluiten