Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich op straat; dan overal lawaai en getier; men reed de gans en sloeg den haan; zangers en zaugeressen liepen van deur tot deur niet den rommelpot, waarvoor zij beloond werden met enkele repen spek, 't welk vervolgens gemeenschappelijk in de herberg werd verteerd; de carnavals Maandag werd de „razende Maandag" de volgende dag „de dolle Dinsdag" genoemd; 't kon er gedurende die dagen wel eens woest en dolzinnig toegaan.

Op den fakkel Zondag, den eersten Zondag der Vasten, trok de jeugd met stroofakkels door de boomgaarden; met Palmzondag werden palmen gewijd, met Paschen gekipt met geverfde eieren.

Op den vooravond van St. Maarten werden dooide jeugd van huis tot huis „schanshout" of takkebossen gehaald en daarmede werden op de bergen, in bijzijn van talrijke toeschouwers, de St. Maartensvuren gestookt.

Vervolgens in huis teruggekeerd vonden zij de tafel voorzien van melk en koek.

In den Kerstnacht werd het vuur niet gedoofd; men voedde de vlammen dooreen zwaren boomstronk, de Kerstschobbe genaamd; den tweeden Kerstnacht werden appelen en peren langs de huizen door de schoolkinderen opgehaald. Dit heette in den mond des volks het „iïeio" roepen.

Ziedaar op welke wijze onze voorvaderen ontspanning zochten na zwaren, afmattenden arbeid.

Nog moeten wij melding maken van een eigenaardig volksspel in het dorp Geleen, te dier tijden een der aanzienlijkste gemeenten met eene bevol-

Sluiten