Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bouwde schouders, breed, kort ineengedrongen nek, als van een stier en met door ontzachelijke spiereu hoog opgezwollen armen.

„Er bleust ze uin, zek icli uch, neet ein veur ein, mè allemaol tegeliek" herhaalt dezelfde stem weer.

De Eckeldonckers hebben de hun door het lot toegewezen plaats ingenomen tegenover de kerkdeur, een zeer gunstige stelling, wijl ze van hier het allereerst het wegwerpen van het broodje kunnen zien en inmiddels hebben ook de vechters van Urmond, Krawinkel, Meerbeek, Bornsheim en Geleen hunne plaatsen ingenomen.

Roerloos staan ze als vast in den sneeuw hooger en hooger zich ophoopend. hunne blikken stijf, strak gericht op de kerkdeur.

Plotseling bij het verschijnen van den koster een algemeen geroep „dao is er, dao is er" en als door een tooverslag te midden der standbeeldengroepen een korte bukkende het bovenlijf vooroverbuigende beweging, een zich voorbereiden tot den aanval.

Een gil hoog joelend boven de stormvlagen „'t korsbroid, het korsbroid" en vlugge Manes, de schaapherder van Eckeldonck vliegt vooruit; hij is het eerst bij het broodje, raapt het op, maar de tijd en tevens de kracht ontbreken hem ten eenenmale om het hooger te brengen dan zijn heupen; een tiental jongens uit andere dorpen hebben zich op hem geworpen omstrengelend zijn armen, zijn borst, zijn schouders.

Is hij niet in staat het te brengen boven zijn hoofd, de anderen zijn niet bij machte het hem te ontwringen.

Peter van het Höfke en Guillaume van de Proosdie,

Sluiten