Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„D'as gemein" enkele stemmen om hem heen.

„Waat gemein, dè smèrlap, dè schinnaos is gemein, dè zeet ins, er heet mich gehete" en tegelijkertijd toont hij den omstanders de bloedende vuist, waarin nog de indrukken der tanden.

Een luid afkeurend gemompel thans tegen den kampvechter van Bornsheim en weer heft hij op de vuist om een nieuwen slag den lafaard toe te brengen.

„üoog et neet, doog et neet Dorus," gilt Tine; zjj wil zich dringen tot hij haar broer, maar tal van mannen houden haar tegen, bewerende „det vrouwlui! zich d'r neet iii^c mooste bemeuie."

Hij heeft echter die stem gehoord, de arm zakt omlaag, doch in een verbeten woede, smorend de gloeiende drift met wanhopig geweld, krijscht hij den ellendeling toe: „maak da's te mich van z'n leve neet mië in d'n weeg kumps, vermaledijde prie."

Dan wendt hij zich met walging en afschuw af van den lafaard, die hem thans aanziet met oogen vol hangen angst.

Als hij zich omkeert staat Leo Bartels voor hem: „'t spit mich jong, dat het gehord is," zegt deze, „ich maak dich mien excuses veur gans Bornsheim; ich verassereer dich, det veer et ouch gemein vinje" en tegelijkei*tijd steekt hij hem zijn hand toe.

Zonder eenige aarzeling grijpt Dorus de hem toegestoken vingeren als een bewijs van het niet verbolgen zijn op dezen strijder.

„A la bonne heure" weer de omstanders, „ dat is schoin, dat is nobel van allebei."

Sluiten