Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een lang turen en staren, allen in dezelfde richting, eindelijk een stem: „dao zien ze. dao zien ze" en tegelijker tijd een luid, hoog gejubel.

Nader komen de strijders met blijden, vroolijken lach en onwillekeurig keert de groep terug op haren weg om hen tegemoet te gaan.

Weldra staan ze tegenover elkaar; toen krachtige handdrukken, proflciats met schreeuwerig stemgegiechel, verwarde uitroepen: „geer höbt uch good gehauwe jongens, geer zeet mich cadés, nondedomme, selderjenne, waat höbt geer ze pruugel gegève" en Tine in haar trotsch gelukkig zijn heeft haren arm geslagen om den hals van haar broer en hem gekust in blijde opgewondenheid.

„Heet er dicli pien gedoon. de laffe kei," vraagt zij op eens meewarend zijn hand grijpend.

„Pien, nein neet erg" antwoordt Doms „er heet mich allein raozend giftig gemaak en 't is mer good Tine, da's te reeps em neet te sloon, want ich lieij em kapot gemaakt, zoi duvels waor ich op dè onnut."

Gezamenlijk, arm in arm, druk koutend en zwetsend, schrijden allen voort zich voortstuwend tegen de fluitgierende slag- en rukwinden, die de neervallende sneeuw doet opstuiven in hooge als om een spil rondwentelende wervelkolommen.

't Is avond, als de troep Eckeldonck bereikt; de hemel als een ontzachelijk reusachtige zwarte stolp bedekkend het witte cirkel veld; de verlichte vensters der kleine huizen als goudglinsterende vierkante blokjes hangend in de donkere lucht.

Sluiten