Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op eens een geroffel van een trom; een twintigtal mannen, met breedgeranden hoed met hanenvederen versierd, 't geweer over den schouder, naderen, voorafgegaan door den vaandeldrager naast een tamboer; 't zijn de leden van de Heilige Sebastiaansocieteit, de schutters naar den vogel; statig stappen zjj voort op de maat van den trommelslag tot voor de woning van den overwinnaar.

De hoofdman treedt binnen door de reeds geopende deur over de met goudsnippers en roode papiertjes bestrooiden vloer.

Met vroolijken lach, de hand uitgestoken om het proficiat te weuscheu, stapt hij in de kleine kamer, feestelijk met groene guirlandes versierd, den vloer met zandliguren bedekt.

De lach verstomt echter, de uitgestoken hand valt weer slap langs het lichaam; hij heeft gedacht vreugde en blijdschap hier te vinden, hij ontwaart slechts smart en droefheid.

Voor het steufke weer de vader in weemoedig gepeins, het hoofd leunend op de open handpalm; zijne vrouw snel wegwisschend met de voorschort de tranen uit de oogen, broeder en zuster naast elkaar, hand in hand, droef voor zich uitturend.

Een oogenblik blijft de binnengekoniene staan, verlegen, niet wetend hoe te handelen, dan langzaam naar den oude en zijn hand zacht leggend op zijn schouder: „maag icli uch proficiat wunsche mit de victorie van eure jong, Ackermans."

„Dauke Jeauc, danke."

Sluiten