Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdreet e bitsje oet de kop zette en veer könne toch gei tiës höbbe zonder dich, zonder d'n broidjeskeuning; geer vingt et toch good Ackermans?" „Zeker «Teanc, numt em iner mit, dè jong moot van daag gein chagrijn höbbe".

„Kom dan ouch Dorus" en de bezoeker trekt hem zachtens naar de deur.

Hij rukt zich echter los; nog een stevige, innige handdruk aan den vader, een lange omhelzing van moeder en zuster en hij holt de deur uit.

En buiten een luid gejuich, een knallen van schoten, een hoogzwaaien van het vaandel, een tromgeroffel, tallooze malen weerkaatst door de omliggende heuvelen.

En voort trekken ze over de lange dorpstraat in blijden hoogmoedigen trots; uit alle vensters, wijd open, knikkende frissche meisjeshoofden met glinste rende oogen; overal gewuif met snelle handtrillingen; overal gejoel en opgewonden gekrijsch; overal kreen „vivat Dorus" lang zal er léve"; nieuwe schoten, nieuw vaandelgezwaai en tromgeroffel bij elk bezoek aan de woning van een der medegestreden hebbende jongens.

Grooter, langer de stoet, waar achter tal van kinderen, huppelend, springend en zingend; zóó, tot in de voornaamste herberg „In de Driekoningen" kenbaar aan het lang bruin-zwart schild boven de deur, waarop drie gebaarde wezens, het hoofd bedekt niet een van steekpunten voorzienen band, de kronen voorstellende.

Hier de eenige plaats, waar de bezoeker zich

Sluiten